Maandagmiddag, eerste zomerdag 2010, De Ruyterkade in Amsterdam. Gasten voor het Rode Kruis-vakantieschip J. Henri Dunant arriveren, gebracht door familie, vrienden of vervoersbedrijf. De vrijwilligers zijn al aan boord, hebben hun briefing gehad, hun bedden opgemaakt en staan gereed om de zestig gasten, gehandicapte veteranen, te verwelkomen. Koffers, tassen en middelen ter ondersteuning van de mobiliteit van de veteranen gaan met hen mee over de loopplank. Inchecken, hut zoeken, kennismaken met de hutgenoot, de veren schudden, het schip en de andere veteranen leren kennen, afscheid nemen; het is een drukte van belang. Een gezellige drukte welteverstaan, met zicht op een heerlijke vakantieweek in het mooie rivierenlandschap van Midden-Nederland.

Dat vakantiegevoel krijgt een extra impuls door de vrolijke klanken die de Luchtmachtkapel vanaf de kade ten gehore brengt, wat applaus van zowel de veteranen als van passanten oplevert. Een passerende Amsterdamse dame, met kleinmodel hond, kijkt met enige verbazing naar het schouwspel. Ze vraagt naar de reden van de feestelijkheden en knikt enthousiast als ze verneemt dat het een vakantie voor veteranen betreft. ‘Hartstikke leuk, dat hebben ze verdiend’, zo zegt ze stellig, waarna ze verder flaneert over de kade.
Tegen de klok van half vier dwingt de bemanning de uitzwaaiers en andere niet opvarenden met zachte hand van het schip. Veteranen en vrijwilligers komen ondertussen bijeen in de salon voor een welkom en een uiteenzetting van wat ze de komende week kunnen verwachten. De motor begint zachtjes te ronken en de loopplank wordt opgehaald. Klokslag vier uur kiest de boot het ruime sop, alhoewel, zo ruim is de Amsterdamse haven nou ook weer niet. Eerst achteruit stekend, om vervolgens met een fraaie zwaai de boeg te keren naar het Amsterdam-Rijnkanaal. Op naar Wijk bij Duurstede, waar in de Gemeentehaven de nacht doorgebracht zal worden. En dan, morgenochtend, door naar Cuijk om daar vanaf 14.00 te passagieren in het fraaie stadje. Daarover morgen.

|